🧩 Taal bouwen
Hulpwerkwoorden.
Soms heeft een doe-woord hulp nodig.
Dan komt er een klein woordje bij.
Dat woordje helpt de zin. Daarom noemen we het een hulpwerkwoord.
Hulp bij iets dat al klaar is
Ik heb gespeeld.
Bij hij of zij
Hij heeft gekookt.
Bij wij
Wij hebben geluisterd.
Hulp bij zijn
Ik ben gekomen.
Bij hij of zij
Zij is gevallen.
Zachte regel:
Hulpwerkwoorden zijn kleine woorden die helpen.
Bij veel zinnen hoor je heb, heeft of hebben.
Soms hoor je ben, is of zijn.
We oefenen eerst rustig herkennen. Daarna kiezen we welk hulpwoord past.