Rekenen is niet alleen sommen maken. Rekenen is begrijpen wat er gebeurt. Soms komt er iets bij. Soms gaat er iets weg. Soms maak je groepjes of verdeel je eerlijk.
Eerst leren we wat een getal betekent. Waar staat een cijfer? Hoe groot voelt het getal?
Een kind leert dat 4 niet altijd gewoon 4 is. In 40 betekent de 4 iets anders. In 400 wordt de 4 nog groter.
Kommagetallen laten zien dat een getal ook stukjes kan hebben. Het kind leert dat 1,5 meer is dan 1 maar minder dan 2.
Hier oefenen we wat er gebeurt als een getal groeit, kleiner wordt of netjes onder elkaar staat.
Erbij betekent: er komt iets bij. Het getal groeit.
Eraf betekent: iets gaat weg. Het kind leert voelen wat minder worden betekent.
Bij sommen onder elkaar zet je rustig eenheden onder eenheden en tientallen onder tientallen.
Hier gaat rekenen over groepjes zien, eerlijk verdelen en grotere stappen rustig volgen.
Keer betekent: even grote groepjes. Zo worden tafels zichtbaar.
Delen betekent: eerlijk verdelen. Eerst met voorwerpen, daarna met getallen.
Een staartdeling lijkt groot, maar bestaat uit kleine rustige stappen.
Hier ontdekken kinderen dat een getal ook gedeeld kan worden in gelijke stukken.
Een breuk betekent: iets is verdeeld in gelijke stukken. Eerst kijken we naar pizza, taart en blokken.
Procent betekent: van de honderd. 50% voelt als de helft en 25% als een kwart.