We kijken rustig naar taal. Wie doet iets? Wat gebeurt er? En welke woorden horen bij elkaar? Kies ÊÊn tegel en oefen stap voor stap đŋ
Hier leer je hoe een zin is opgebouwd. We gebruiken steeds dezelfde rustige vragen.
Maak van de zin een vraagzin. Het eerste werkwoord is de persoonsvorm.
Zoek alle werkwoorden in de zin. Samen vormen ze het gezegde.
Vraag: wie of wat + gezegde?
Vraag: wie of wat + gezegde + onderwerp?
Vraag: aan wie / voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp?
Hier leer je welke soorten woorden er zijn. We beginnen rustig met woorden herkennen.
Mensen, dieren en dingen. Bijvoorbeeld: hond, tafel, postbode.
Woorden die iets doen. Bijvoorbeeld: rennen, springen en eten.
De woorden: de, het en een. We oefenen rustig met herkennen.
Vertelt iets over een zelfstandig naamwoord. Bijvoorbeeld: grote hond.
Laat zien van wie iets is. Bijvoorbeeld: mijn tas, haar fiets.
Wijst iets aan. Bijvoorbeeld: deze stoel, dat boek.
Hier oefen je taalregels door spelletjes, herhaling en mix-opdrachten. Zo worden woorden en zinnen steeds vertrouwder.