In een zin gebeurt er iets. Maar eerst kijken we rustig: wie doet het? Deze woorden helpen ons zien over wie de zin gaat 🌿
Deze woorden vertellen wie iets doet. Ze helpen je om een zin beter te begrijpen.
Ik gaat over mijzelf. Bijvoorbeeld: Ik loop.
Jij zeg ik tegen iemand anders. Bijvoorbeeld: Jij leest.
Hij gaat vaak over een jongen of man. Bijvoorbeeld: Hij rent.
Zij gaat vaak over een meisje of vrouw. Bijvoorbeeld: Zij danst.
Wij betekent samen. Bijvoorbeeld: Wij spelen.
Het wie-woord en het doe-woord horen bij elkaar. Soms verandert het doe-woord een klein beetje. Zo klinkt de zin rustig en klopt hij beter.
Kijk rustig hoe het doe-woord verandert bij ik, jij, hij, zij en wij.
Bij ik hoor je vaak het korte doe-woord:
ik loop.
Bij jij, hij en zij komt er vaak een
t bij:
jij loopt.
Bij wij klinkt het woord langer:
wij lopen.