Woorden werken samen. Sommige woorden vertellen wie iets doet. Andere woorden vertellen wat er gebeurt. We ontdekken rustig hoe zinnen werken πΏ
Elke tegel helpt je om een stukje van taal beter te begrijpen. Kies één onderdeel en oefen rustig.
Woorden die vertellen wat iemand doet. Bijvoorbeeld: lopen, lezen, springen.
Ik, jij, hij, zij en wij leren herkennen. Wie hoort bij de zin?
Wat gebeurde er eerder? We oefenen rustig met vroeger.
Is iets al gebeurd? We kijken naar zinnen die klaar zijn.